
Hij stond onder een boom, dicht bij de rand van het bos. Hij keek naar boven. Hij zag, dat de toppen van de bomen in de windbewogen. Het was net, alsof ze met elkander stonden te praten. Hij vroeg hardop: Praten jullie nou? De bomen mompelden. Hij vroeg: Zijn jullie het geweest vannacht? De bomen knikten. Met een slotwoord van Joost Oomen.