
Leiden, februari 1650. De zestienjarige Hélène heeft een in leer gebonden boek met lege bladzijden gekregen van haar ouders: een dagboek. Openhartig schrijft ze over haar saaie leven en haar behoefte aan avontuur. Dan komt er een nieuwe meid in huis en het is gedaan met de rust. Het verleden van haar ouders komt boven water en Hélène moet een aantal stappen zetten om te redden wat er te redden valt. Maar of dat de juiste beslissingen zijn… Fragment uit het boek: Ik ben de dochter van een heks. Mijn moeder zou zeggen: ‘Maak daar geen grapjes over. Je weet niet waar je het over hebt. Je hebt geen idee wat ik heb moeten doorstaan vanwege die beschuldigingen.’ Dat weet ik heus wel. Ik vond de verhalen die ze me over de heksenjacht vertelde prachtig toen ik klein was, maar ik was me heel goed bewust van de ondertoon van grimmigheid en angst die eraan ten grondslag lag. Ik weet dat ze niet echt een heks is, maar de heksenjagers dachten van wel. Zij zouden zonder meer bevestigen dat ik de dochter van een heks ben als ze hier waren. En ik kan schrijven wat ik wil, want moeder leest dit toch niet.