April '62. Als zijn ernstig zieke moeder hem vraagt om nog een keertje naast haar te komen liggen, slaat de elfjarige Paul haar van zich af en rent weg. Even later komt zijn vader hem vertellen dat ze is gestorven. Paul denkt hij schuldig is aan haar dood en blijft achter met een vader die net zomin als hij over zijn gevoelens kan praten. Alleen bij een ongecompliceerde brugwachter, die hij soms een handje mag helpen, voelt de jongen zich op zijn gemak.