In het woud, vlak buiten het dorp, woont een kluizenaar met zijn herdershond en waakgans: Oskar. Hij leeft op literflessen rode wijn, brandhout en van de jacht. De dorpelingen – heel bange, benepen christenen – mijden hem als de pest, want het wemelt op hun kleine stukje aarde van de goddelozen. Vrienden heeft Oskar niet, althans niet voordat hij op een zondag in december een weesjongen, de negentienjarige hoofdpersoon van dit verhaal, ontmoet.